De Externe Anatomie

Deze omvat de vinnen, kieuwdeksel ,anus, baarddraden, neusgaten, ogen, het zijlijnorgaan en de schubben.
Neusgaten
Kieuwdeksel
Rugvin
Staartvin
Anale vin
Anus
Buikvinnen
Zijlijnorgaan
Borstvinnen
Baarddraden
Vinnen
Er kunnen zeven vinnen bij de koi onderscheiden worden, namelijk de rugvin, de anale vin, de staartvin, de borstvinnen (2) en de buikvinnen (2). De vinnen zijn voor de vis heel belangrijk om hun stabiliteit in het water te behouden, want vissen zwemmen met behulp van hun spieren. Het verhinderen van het kantelen gebeurt aan de hand van het spreiden van de rugvin en de anale vin. De borstvinnen en de staartvin dienen ervoor om te voorkomen dat de vis uit koers raakt. Een stilstaande beweging in het water kan bereikt worden door fijne bewegingen van de borstvinnen en de buikvinnen. Wanneer de vis water uit de kieuwen laat stromen, kunnen deze vinnen de stuwende beweging tegengaan.
Kieuwdeksel
Dit is een harde beenachtige plaat die het kieuwweefsel beschermt en het ademhalingsmechanisme regelt. Het deksel kan aan de onder -en de achterkant vrij bewegen en fungeert hierbij als een éénrichtingsklep. Hierbij kan er wel water uit de kieuwholte stromen, maar het weggestuwde zuurstofarme water kan niet terug de kieuwen in.
Anus
Net voor de anale vin bevinden zich de afzonderlijke openingen van de anus, het geslachtsorgaan en de urinewegen.
Baarddraden
Een koi bezit twee paar baarddraden van verschillende lengte. Deze bevinden zich aan beide zijden van de bek. Een kleine baarddraad bevindt zich naast de bovenlip; de grote bevindt zich ongeveer in de hoek van de bek. Het bezit van baarddraden is een belangrijke eigenschap om koi te onderscheiden van goudvissen, omdat deze geen baarddraden heeft. De baarddraden zijn bedekt met smaakpapillen, waardoor de koi letterlijk alles kan proeven wat in contact komt met de baarddraden.
Neusgaten
Aan beide zijden van de snuit bevinden zich twee neusgaten. De gepaarde neusgaten zijn met elkaar verbonden via een U-vormig buisje. Het water stroomt door het voorste neusgat naar binnen en door het achterste neusgat terug naar buiten. De onderkant van dit buisje bestaat uit een serie plooien, die bedekt zijn met reukreceptoren. Hierdoor is de koi in staat kleine hoeveelheden van bepaalde oplossingen in het water te traceren. Met oog op voedselvoorziening is de reukzin van de koi nuttiger dan het gezichtsvermogen!
Ogen
Koi beschikken over een redelijk goed gezichtsvermogen. Een bewegend gevaar kan via alle kanten opgemerkt worden, doordat de positie van de ogen op het hoofd ze in staat stelt bijna 360° in het rond te kijken. Omdat de vis over geen oogleden beschikt, slapen ze ook met de ogen open.
Het zijlijnorgaan
Langs het midden aan beide zijden van de romp ligt een rij schubben. Iedere schub is voorzien van een porie, die via een klein buisje verbonden is met zenuwstelsel van de vis. Bij sommige koi (doitsu) vormt de zijlijn een duidelijke streep in het midden van de vis, van net achter het kieuwdeksel naar de staart. De tastcellen van de zijlijn tonen overeenkomsten met de cellen van het menselijk gehoor, maar er is nog steeds niet vastgesteld wat de vis met deze cellen werkelijk kan voelen. Het lijkt alsof de cellen gevoelig zijn voor beweging in het water, voor verstoringen en golven, zodat de vis hierdoor niet opbotst tegen andere objecten (vissen, voorwerpen, oever,…) in de vijver. Naast de waarneming van geluiden, kan het zijlijnorgaan ook een drukverandering opmerken. Dankzij dit alles is de koi in staat om zich te oriënteren in het water.
Schubben
Schubben bedekken de gehele oppervlakte van de vis. Iedere schub kan beschouwd worden als een heel dun buigzaam plaatje dat van botachtig materiaal is gemaakt. Aan de voorzijde zit de schub diep in de huid geworteld, en de achterzijde staat los en overlapt de voorzijde van de schub erachter. Deze manier van rangschikken kan u vergelijken met het overlappen van dakpannen. Bij een koi kunnen er twee verschillende schubpatronen opgemerkt worden, namelijk kan de vis geheel bedekt zijn met schubben, ofwel kunnen de schubben vergroot en gegroepeerd zijn langs de zijlijn aan de zijkanten van de vis, en hierbij ook gewoonlijk bij de rugvin en de anale vin. Het hele lichaam van de vis is bedekt door een slijmlaag. Dit slijm bevat een minimale antiseptische werking en wordt afgescheiden door speciale cellen in de huid. De slijmlaag geeft vissen hun karakteristieke slijmerigheid. Hierdoor kan een vis soepeler door het water voortbewegen!
De interne anatomie is complexer dan de externe anatomie, doordat er intern meer organen zitten, maar ook doordat deze organen met elkaar in verbinding staan. Deze complexiteit werd in een recent onderzoek aangetoond door Cover (2005).